voor de akkerbouw van morgen

Precisielandbouw en vergroening middelenpakket

Inzet
Vermindering milieu-impact met op maat toediening van gewasbeschermingsmiddelen door toepassing van precisielandbouwmethoden en vergroening middelenpakket.

Acties, status voorjaar 2019

  1. Invulling Nationale Proeftuin Precisielandbouw en Agenda Precisielandbouw
    Status: diverse projecten zijn in uitvoering (met betrokkenheid van BO-leden, enkele honderden akkerbouwers en duizenden hectares).
     
  2. Precisielandbouw; gebruik in praktijk en demonstratie- en praktijkproefprojecten
    Status: loopt via diverse projecten (met betrokkenheid van BO-leden).
    Een inventarisatie, enquête en analyse gaven inzicht in de nu beschikbare beslissingsondersteunende systemen (BOS’en) en lacunes in de bruikbaarheid ervan. Een deel van de BOS’en staat opgesomd op www.agroapps.nl; er zijn er meer. Via onderzoek zouden mogelijke verbeteringen nader in beeld gebracht moeten worden.
    Uitkomst enquête: 34% van de akkerbouwers past (een) BOS toe (63% niet, 3% weet niet / geen antwoord).
    De meest verspreidde BOS’en zijn phytophtora-adviesprogramma’s. Daarnaast ook toepassingen precisielandbouw, waarbij sensoren groeivariaties in perceel vastleggen. Informatie over variatie in gewas en/of bodem is door akkerbouwer of adviseur te vertalen naar zogeheten taakkaart voor variabele dosering meststoffen, herbiciden en andere gewasbeschermingsmiddelen.
    Er zijn enkele drempels voor (meer) gebruik van BOS’en:
    • Bij grote bedrijven is er gebrek aan machinecapaciteit;
    • ICT-‘angst’ bij een deel van de ondernemers;
    • Beperkingen in technische koppeling verschillende merken machines en tractoren;
    • Er is risico-aversie bij een deel van de ondernemers;
    • Kosten en daarmee de rentabiliteit van de systemen.

​​​​Uitkomst enquête: 46% van de akkerbouwers bezocht demonstraties over BOS’en en/of waarschuwingssystemen. 
Verbeteringen bij BOS’en in tijd en precisie is mogelijk door waarnemingen uit te laten voeren door drones (onder meer om latente infecties waar te nemen). De ontwikkeling van waarnemingen door drones wordt met verschillende technieken opgepakt in de PPS Precisielandbouw (waarbij ook BO-leden betrokken zijn).

In de module Duurzaam Akkerbouw Bedrijf (DAB) van het VVAK staat al langer de aanbeveling om een BOS bij minimaal één gewas toe te passen. De sector zet vanaf seizoen 2019/2020 verder in op bewustwording.

Kritische punten beslissingsondersteunende systemen (BOS’en)

  • Er zijn lacunes in bruikbaarheid van BOS’en. Dit betreft onder meer:
    • Dat ze voor enkele specifieke ziekte / plaag-gewascombinaties niet beschikbaar zijn;
    • De mate waarin het BOS rekening houdt met (deels nog onbekende) schadedrempels;
    • Dat BOS’en te weinig integraal toepasbaar zijn over het bouwplan of gewasrotaties.
  • Het is niet eenvoudig goed verdienmodel te leggen onder een BOS. Mede daardoor in Nederland weinig projecten gericht op testen, inzet of verbeteren van BOS’en.
  • Een correcte waarneming en diagnose zijn belangrijk voor de keuze van maatregelen en middelen en voor het gebruik van de juiste BOS. Het stellen van een onvoldoende correcte diagnose heeft gevolgen voor de correcte keuze van de bestrijding. Beeldherkenning van ziekten en plagen is belangrijke route voor de toekomst.
  • Er is een kennishiaat in de toepassing van precisielandbouw bij het waarnemen van latente schimmelinfecties en bij pleksgewijs bestrijden.
  • Drones mogen niet overal vliegen en de restricties lijken toe te nemen. Vereist (ook) onderzoek naar alternatief, met bijvoorbeeld sensoren op machines en werktuigen.
  1. Beheer data gebruik middelen in datacoöperatie
    Status: geadresseerd bij Regiegroep Data Intensieve Akkerbouw. Onder hun regie kwam de Gedragscode Datagebruik Akkerbouw tot stand. Deze code is in 2018 éénmaal herzien.
  1. Sectorafspraken maatregelen reductie emissie en toepassen driftarme technieken
    Status: er geldt per 2018 een wettelijke verplichting voor driftreductie. Dit actiepunt is geadresseerd bij de besprekingen over de uitwerking van het 'Pakket van maatregelen emissiereductie gewasbescherming open teelten’.
    In 2017 was er bij de akkerbouwsector geen daling van normoverschrijdingen bij oppervlaktewateren. Er zijn juist meer en / of hogere mate van overschrijdingen gemeten (bron: Bestrijdingsmiddelenatlas en Landelijk meetnet GBM).De akkerbouw liet als enige sector geen verbetering zien. Het algemene beeld is dat er minder en minder grote overschrijdingen zijn waargenomen. Bij de categorie ‘Wintertarwe’ zijn geen overschrijdingen gemeten.
    Het gebruik van de erfemissiescan neemt toe, naar 492 in 2018 (eerdere cijfers; 2015: 252, 2016: 399, 2017: 224; cijfers open teelt, aantal unieke scans, compleet ingevuld; bron Toolbox Water).
    In de module Duurzaam Akkerbouw Bedrijf van het VVAK zijn keuren spuitapparatuur, spuitlicentie en optimale / efficiënte inzet gewasbeschermingsmiddelen al langer criteria. Gezien het wettelijk voorschrift komen er in de module geen aanvullende regels over driftreductie. Via de DAB-module zet de sector vanaf seizoen 2019/2020 met de erfemissiescan in op bewustwording.
    Uitkomst enquête: voor 57% van de akkerbouwers is de onafhankelijke teeltadviseur of adviseur gewasbescherming de belangrijkste partner om de teelt met plantgezondheid op een rendabele manier meer duurzaam te maken. Nog eens 28% noemt de adviseur van de fabrikant of de leverancier van de middelen (chemische en/of biologische). Voor 15% zijn collega-telers en / of telersorganisaties als LTO en NAV de voornaamste partner.

Kritische punten emissiereductie

  • De werkzaamheid van diverse middelen kan in combinatie met drift reducerende maatregelen anders uitvallen als gevolg van onder meer een suboptimale druppelgrootte.
  • Bij bestrijden van ziekten en plagen is de emissie te beperken met gebruik van schaderelaties. Vereiste hiervoor is op tijd (=actiedrempel) ingrijpen, om schade door ontwikkeling van de ziekte of plaag boven de schadedrempel te voorkomen. Wereldwijd vindt nauwelijks onderzoek plaats naar schaderelaties. Bij sommige ziektes is de schadedrempel minder urgent, omdat die zoveel mogelijk voorkomen moet worden om te kunnen beheersen (bijvoorbeeld Phytophtora in aardappel).
  • Er zijn kennishiaten bij (combinaties van) levenscycli van ziekten en plagen, schaderelaties en (het gebruik van) beslissingsondersteunende systemen (BOS’en).
  1. Opstellen sectorrichtlijnen erfbetreders over zorgvuldig gebruik middelen en inzet technieken
    Status: er is contact met Agrodis over. Het proces kan onder meer verlopen via de stichting Certificatie Distributie in Gewasbeschermingsmiddelen (CDG) en het vakbekwaamheidsbewijs. In 2019 vervolg te geven in afstemming met partners; bestaande kennisnetwerk benutten en versterken door uitwisseling kennis uit o.m. activiteiten actieplan.
  1. Milieu-impact verlagen door (chemische) middelen met hoge impact te vervangen door biologische bestrijding en middelen met lagere impact
    Status: diverse projecten lopen, waaronder de PPS Milieu-indicator gewasbescherming.
    Aanvullend is via nader onderzoek kennislacunes met / bij groene middelen in te vullen.
    Uitkomst enquête: 50% van de akkerbouwers noemt beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen als voornaamste knelpunt als het gaat om plantgezondheid.
    WUR-onderzoek geeft als algemeen beeld van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in akkerbouwgewassen dat gebruik en milieubelasting hoog zijn bij de teelt van uien en van de meeste aardappeltypes. Verschillen tussen diverse gebieden wordt voor een groot deel veroorzaakt door verschillen in (aardappel)rassen. Het ene ras is gevoeliger voor ziektes en plagen dan het andere. Ook zullen verschillen in neerslag en wind de ziektedruk beïnvloeden en moet bij gevoelige rassen sneller aan preventieve of curatieve bestrijding (tegen schimmels en insecten) worden gedaan. (bron WUR-rapport in opdracht van WNF).

Kritische punten milieu-impact

  • Verbod op of maatschappelijke ophef over chemische middelen (m.n. neonicotinoïden en glyfosaat) die voor (huidige, gangbare) teeltsysteem essentiële functie hebben, en waarvoor geschikt alternatief ontbreekt.
  • Toelating van groene middelen neemt toe, maar ontwikkeling gaat (veel te) traag en regelgeving maakt toelating moeilijk. Dit punt heeft alle aandacht, maar er zijn meer (nieuwe) groene middelen nodig.
  • Onderscheid tussen rassen is bekend en wordt onderkend. Diverse factoren zijn van invloed op de rassenkeuze, daarvan is milieucriteria er één. Bij veredeling zijn honderden criteria van invloed, ook kenmerken belangrijk voor afzet, zoals smaak, kleur en rendement in verwerking.
  • De meeste groene middelen werken preventief. Correctiemiddelen verdwijnen langzamerhand. Voor acceptatie bij telers, moet de werking van groene middelen goed bekend zijn. Als het niet werkt, dan is er nauwelijks nog te corrigeren.
  • Toegelaten biologische gewasbeschermingsmiddelen op basis van levende micro-organismen hebben een aangetoonde effectiviteit. Het betreffen echter levende organismen, die worden beïnvloed door omstandigheden. Het effect van die middelen is dan ook niet altijd zelfde.
  • Er zijn kennishiaten bij reductie van de milieu-impact middels (gebruik van) biologische middelen:
    • Over de werkzaamheid van microbiologische middelen;
    • De toepasbaarheid van toegelaten groene middelen in het teeltsysteem;
    • Resistentiemanagement en beslissingsondersteunende systemen (BOS’en);
    • De doorwerking van aanpassingen in de teelt (bijv. minder ploegen, akkerranden en groenbemesters) op onkruiden, ziekten en plagen en de weerbaarheid van de grond;
    • De doorwerking van verboden op specifieke middelen op het hele teeltsysteem.
  • Bij bepalen van de milieu-impact wordt veelvuldig gebruik gemaakt van informatie uit de CLM-milieumeetlat. Dit is gebaseerd op hun eigen systematiek. Daarin wordt veel voor toelating verplicht onderzoek niet of onvoldoende meegewogen.

Doelen uit actieplan